Brochure Kerk en Ambt van de Nederlandse Dominicanen
KERK EN AMBT
onderweg naar een kerk met toekomst
INHOUD
Inleiding pagina 5
1. Situatieschets pagina 8
2. Wat is kerk? pagina 20
3. Eucharistie pagina 25
4. Voorgangers in de kerk pagina 30
Geraadpleegde literatuur pagina 37
INLEIDING
Tijdens het Provinciaal Kapittel van de Nederlandse dominicanen, gehouden in juni 2005, is een motie ter sprake gekomen, die was ingediend door enkele groepen dominicanen in Nederland. De tekst van die motie luidde aldus:
‘Het kapittel wordt verzocht om op zo kort mogelijke termijn een commissie van deskundigen in en buiten de Orde in te stellen, die tot taak krijgt: de theologische, exegetische en kerkhistorische aspecten te onderzoeken van de vraag, of het kerkelijk ambt en de bediening van de sacramenten, met name van de eucharistie, uitdrukkelijk en exclusief is voorbehouden aan gewijde celibataire mannen, dan wel of het sacrament mogelijkheden heeft om ook door andere, bijvoorbeeld door de kerkgemeente aangestelde voorgangers en voorgangsters te worden bediend. Dit onderzoek zou moeten resulteren in een richtinggevend document, dat door de Nederlandse dominicanen wordt bekrachtigd en aangeboden aan de basis en de leiding van de Nederlandse kerkprovincie.’
Op het kapittel kreeg deze petitie bijval, zodanig dat het gehouden overleg resulteerde in een besluit, dat neergelegd werd in de Akten van het kapittel. Onder de titel ‘Parochies in het licht van een nieuw kerkbeeld’ werd de volgende opdracht geformuleerd:
‘Een geloofs-spiritualiteitcentrum kan een nieuwe vorm zijn van kerk-zijn. Ook daar zal het verlangen opkomen, eucharistie te vieren. Zo’n verlangen leeft reeds in parochies, die geen eucharistie vieren omdat ze geen gewijde voorganger hebben. Daarom dragen we het bestuur op, om op zo kort mogelijke termijn een commissie of werkgroep van deskundigen in te stellen, die tot taak krijgt de theologische aspecten te onderzoeken van de vraag, of het vieren van de eucharistie afhankelijk is van het kerkelijk ambt van gewijde mannen, dan wel of het mogelijk is dat de kerkgemeente zelf of de door haar aangestelde voorgangers en voorgangsters eucharistie viert. Dit onderzoek zou moeten resulteren in een richtinggevend document, dat door het bestuur van de Nederlandse dominicanen ter discussie wordt aangeboden aan de Nederlandse kerkprovincie, met name aan de parochies en geloofs-spiritualiteitcentra, met als eerste doel het scheppen van een open dialoog waaraan alle belanghebbenden kunnen meedoen. De commissie moet ook een strategie uitdenken om deze open dialoog mogelijk te maken’ (Akten 6.8).
Deze commissie is begonnen met een bezoek aan een aantal parochies, om in beeld te kunnen brengen, hoe men daar over de boven gestelde vragen denkt, waar men in de praktijk tegenaan loopt, hoe men de toekomst ziet. In geen enkele parochie werd daarbij een absolute consensus ontmoet: men bleek zelf zoekende en twijfelende en had geen duidelijk beeld, hoe het op deze punten verder zou moeten of kunnen.
Toch vielen er in deze gesprekken punten van overeenkomst te beluisteren, met name over de vrij algemeen als moeizaam ervaren verhouding tot de kerkelijke bewindvoering in de verschillende Nederlandse bisdommen. Er heersen bij vele gelovigen oprechte onlustgevoelens rond de huidige, vaak als pijnlijk en ontmoedigend beleefde situatie. Men blijkt te verlangen naar een verheldering van de verschillende thema’s die hierbij in het geding zijn.
Het hier volgende wil zo’n poging tot verheldering zijn. De tekst ervan is geschreven door de door het bestuur gevormde commissie: André Lascaris o.p., Jan Nieuwenhuis o.p., Harrie Salemans o.p., en Ad Willems o.p. Gepoogd is, op een bruikbare en handzame wijze de voornaamste aspecten van het onderwerp te belichten, respectievelijk over het kerkbeeld, over het sacrament en met name over de eucharistie, en over het ambt van voorganger in de kerkelijke viering.
Dit geschrift is aanvaard door het bestuur van de Nederlandse dominicanen en wordt door dit bestuur verspreid. Het is niet bedoeld als richtlijn of leerstelling, maar als bijdrage tot een vernieuwde en verdiepte discussie. Het wil een handreiking zijn om uit de bestaande impasse te komen en, zo mogelijk, een gesprek op gang te brengen, dat de geloofsbeleving van velen ten goede kan komen.
Het Bestuur van de Nederlandse Dominicanen
1. SITUATIESCHETS
Wie op dit moment een overzicht in vogelvlucht wil maken over de huidige situatie rond ‘kerk en ambt’, stuit op zeer uiteenlopende praktijken en inzichten bij degenen die in feite belast zijn met het toezicht op of het uitoefenen van kerkelijke samenkomsten in en buiten de parochies. Bovenal is duidelijk, dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen aan de ene kant het inzicht en het praktiseren daarvan bij de officiële gezagsdragers en aan de andere kant de dagelijkse praktijk, dat wil zeggen bij degenen die wekelijks verantwoordelijk zijn voor de viering(en) in hun kerkgemeenschap.
Hieronder wordt zeer voorlopig beschreven, hoe de kaarten op deze punten liggen en waar men in het dagelijkse handwerk tegenaan loopt of staat.
Situatie
Van hogerhand wordt met name inzake het voorgaan bij de eucharistievieringen – en soms ook bij de toediening van andere sacramenten – een strak en eenduidig beleid gevoerd: alleen de gewijde priester kan en mag voorgaan bij de viering van de eucharistie – en ook bij de toediening van de ziekenzalving en de verkondiging – ; bij afwezigheid van zo’n gewijde priester kan er geen sprake zijn van een eucharistieviering.
Enige tijd geleden werd dit standpunt aldus toegelicht in Trouw (25 maart 2006): ‘Volgens de kerkleer zijn woord- en communiediensten half werk: je zit wel in de kerk, maar je loopt toch de eucharistie mis. Een pastoraal werker kan brood en wijn namelijk niet zelf ‘omzetten’ in lichaam en bloed van Christus. Hij of zij kan alleen hosties uitdelen die eerder door een priester zijn gewijd tijdens een eucharistieviering.’ Kort daarop schreef Mgr.A. Hurkmans, bisschop van ’s-Hertogenbosch en binnen de Bisschoppen-conferentie portefeuillehouder voor liturgie, in hetzelfde blad: ‘Woord- en communie-vieringen kunnen een heel waardevolle rol spelen in die gebieden waar echt geen eucharistieviering mogelijk is. Maar wanneer een woord- en communiedienst steevast als een gelijkwaardig alternatief voor de eucharistie op het liturgisch menu komt te staan, miskennen wij de unieke betekenis van de eucharistie voor het leven van de Kerk. Dan bouwen wij de kerk van morgen op een te wankele basis’ (6 april 2006).
In het veld blijkt dit standpunt voor een – vermoedelijk groot – gedeelte niet te worden gedeeld. Veel parochies en geloofsgemeenschappen staan voor het nuchtere feit, dat er nu of binnenkort geen gewijde priester meer voorhanden is en dat er ook geen uitzicht is op verbetering in deze situatie. De kerkelijke leiding poogt dit toenemend tekort op te vangen eensdeels door het importeren van gewijde priesters uit het buitenland, anderdeels door een politiek van regionalisering uit te voeren: parochies samen te voegen tot een regio, waarbij dan één priester meerdere parochies moet bedienen. Veel gemeenschappen aan de basis zijn op zijn minst niet gelukkig met deze situatie en her en der wordt gepoogd, onder dit beleid uit te komen.
Een fundamenteel bezwaar van deze kerkgemeenschappen tegen dit beleid is: dat de officiële kerkleiding daarin principieel kiest voor bescherming van het priesterambt in de huidige vorm boven het recht van de geloofsgemeenschap op de eucharistie. Het volgen van de officieel goedgekeurde tafelgebeden en vooral het uitspreken van de instellingswoorden is hier niet alleen belangrijker dan de gemeenschap van de gelovigen; het wordt ook gezien en gehanteerd als een exclusieve macht die voorbehouden is aan de gewijde priester.
Voor vele parochies en geloofsgemeenschappen gaat deze structuur op de helling, niet alleen noodgedwongen, maar ook omdat de inzichten ten aanzien van de betekenis en de bediening van de eucharistie sinds het Tweede Vaticaans Concilie veranderd zijn. Over het algemeen verkeert het beleid betreffende de bediening van de eucharistie en ook van andere sacramenten in een crisis. Het volgende is bedoeld om die crisis enerzijds te analyseren en te benoemen en straks in de volgende hoofdstukken ook te funderen op en mogelijk tegemoet te komen vanuit gegevens uit Schrift en overlevering.
Knelpunten
Om uit het boven beschreven dilemma te komen, hanteren veel parochies en kerkgemeenschappen – ook in de presentatie – een verschil in benaming van een ‘eucharistieviering’ en een ‘woord- en communiedienst’. In de eerstgenoemde viering gaat een gewijde priester voor; in de tweede worden geen instellings-woorden uitgesproken, worden vooraf geconsacreerde hosties uitgedeeld en gaat een niet-priester voor. Dit onderscheid wordt dan veelal van te voren in de programmering aangekondigd, zodat de kerkgangers weten en ook kunnen kiezen, of zij naar de aangekondigde dienst willen gaan of niet.
De grondreden waarom deze parochies zo handelen is deze: dat het niet anders kan. Zij kiezen uit noodzaak voor deze oplossing en zouden in hun hart soms dit onderscheid liever laten varen. Beide vieringen achten zij volwaardige vieringen. Ook de kerkgangers beleven in overwegende mate beide vieringen als volwaardig, daarbij niet of nauwelijks verschil ervarend. Een groot deel van het kerkvolk waardeert een woord- en communiedienst op gelijke voet met een strikte eucharistieviering.
Mede omdat het onderscheid tussen ‘eucharistieviering’ en ‘woord- en communiedienst’ in de gelovige beleving vaak niet of nauwelijks relevant is, maar vooral omdat dit onderscheid op principiële bezwaren stuit – daarover later –, wenst een aantal geloofsgemeenschappen dit onderscheid niet of niet meer te maken. Soms spreekt men van ‘agapè-viering’ of van ‘gedachtenisviering’. Soms gebruikt men alleen de aanduiding ‘weekendviering’ of ‘wekelijkse viering’, daarbij in het midden latend, of er al dan niet een gewijde voorganger is. Anderen hanteren het woord ‘noodviering’ voor het geval de gewijde priester uitvalt. Het overheersende beeld op dit punt is: dat men balanceert langs het randje van het formeel van hogerhand toegestane, af en toe grenzen overschrijdend of verdoezelend, met name om geen problemen te krijgen. In hun hart en in hun geloofsovertuiging zouden de parochies graag verschoond blijven van de plicht, dit onderscheid te moeten maken.
Men is het erover eens, dat aan de zogenoemde leken-voorgangers in de vieringen hoge eisen kunnen en moeten worden gesteld. Veelal moeten zij een toerustingscursus volgen. Hier en daar is ook een proefperiode vereist, waarin beoordeeld kan worden, of de betrokkenen voldoende vaardigheden bezitten om hun taak te kunnen vervullen. Er is nergens sprake van, dat iemand zomaar, zonder enige vorm van selectie, voor deze taak kan worden aangesteld. Wel wordt allerwegen de keuze van degenen die dit ambt gaan vervullen, gezien als een taak van de gemeente, dus van onderop vastgesteld, al dan niet volgens bepaalde procedures. Er heerst een diep geloofsinzicht, dat het voorgangerschap in de gemeente niet alleen van de gemeente uit moet worden gesteund en bekrachtigd, maar dat zelfs die gemeente in principe de instantie is, die dit voorgangerschap fundeert en waarmaakt. In overheersende mate wordt door die parochies of kerkgemeenschappen erkend, dat het voorgangerschap in de gemeente van onderop komt en door de gemeente zelf wordt aangewezen. Bij de aanstelling van deze lekenvoorgangers is er geen onderscheid of vooraf bepaalde clausule, dat de kandidaat man is. Vrouwen kunnen dit ambt gelijkelijk vervullen als mannen, zo is de overheersende overtuiging.
In alle gevallen wordt de huidige feitelijke situatie als knellend ervaren. Het bisdom kiest nadrukkelijk voor klerikale parochies. De parochies zouden, als zij de kans kregen, veeleer en principieel kiezen voor parochies, waarin op gelijke voet zowel ‘gewijde’ priesters als ‘geroepen’ leken (mannen en vrouwen) kunnen functioneren. De verhoudingen met het bisdom zijn vaak van de parochies uit zoveel mogelijk open, maar deels kiest men er ervoor, niet alles aan de grote klok te hangen. Men ervaart de huidige situatie als van hogerhand geblokkeerd: de parochies kunnen niet doen wat zij vanuit pastorale zorg zouden willen.
In menige parochie bestaat dan ook een al dan niet uitgewerkt ‘rampenplan’: wat te doen als hogerhand ingrijpt en bepaalde ontwikkelingen verbiedt? Men is dan soms niet bereid om elke door diezelfde hogerhand aangewezen priestervoorganger ook te accepteren. Anderen wensen dan zelfs de sleutel van het kerkgebouw niet uit handen te geven aan de door het bisdom aangewezen voorganger. Weer anderen willen of durven een confrontatie met het bisdom niet aan. Maar in elk geval wil elke betrokken geloofsgemeenschap binnen het grote geheel van de katholieke kerk blijven staan. Hier en daar wordt het omgaan met het bisdom ervaren als ‘op eieren lopen’: enerzijds zijn niet alle problemen een rel met het bisdom waard, anderzijds heeft men het gevoel en soms ook de ervaring van zijn kop te stoten en niet te kunnen doen wat men soms en uit overtuiging zou willen. Aan ‘hogerhand’ wordt verweten, de kerk bijeen te willen houden op basis van opgelegde structuren en macht. Wat parochieel beleefd wordt als een ‘droom’, blijkt telkens weer op praktische en leerstellige bezwaren te stuiten. ‘Wat er ook gebeurt, wij gaan door’, zeggen sommigen. Maar daartegenover staat de vrees van velen, dat de droom nooit werkelijkheid zal worden. De verhouding tussen hogerhand en basis is in feite uitermate kwetsbaar en moeizaam. Men vertrouwt elkaar niet of slechts in geringe mate.
Tweeslachtigheid
In het bovenstaande is al even vermeld, dat een groeiend aantal parochies en geloofsgemeenschappen in eigen beheer tot oplossingen komen. Het hanteren van het onderscheid tussen ‘eucharistieviering’ en ‘woord- en communiedienst’ (of iets dergelijks) behoort daartoe. Maar in de praktijk blijkt men, als het moet, de hand te lichten met dit onderscheid. Zo wordt in geval van een dreigend gebrek aan geconsacreerde hosties bij een communieviering soms elders op zoek gegaan – maar dit ervaart men dan toch als een in feite de eucharistie onwaardige oplossing –; soms vult men de eigen voorraad geconsacreerde hosties aan met niet geconsacreerde hosties, zich verontschuldigend dat ‘toch niemand dit weet.’ De indruk bestaat dus dat het genoemde onderscheid veeleer gehanteerd wordt om geen conflict te krijgen met hogerhand dan vanwege een inhoudelijke, op een waarachtig onderscheid berustende geloofsovertuiging. De gebezigde oplossingen rammelen – zo voelt men dat – en worden ervaren als veeleer schijn- of noodoplossingen.
Hetzelfde geldt voor andere, met dit onderscheid verwante punten. Zo wordt met het gebruik van officiële, door het kerkelijk gezag toegestane tafelgebeden in de praktijk zonder veel gewetensbezwaren de hand gelicht. Sommige parochies noemen de officiële richtlijnen op dit punt zinloos en handelen overeenkomstig dit inzicht. Veelal blijken door de voorganger of door de gemeente zelf gemaakte gebeden meer gewaardeerd te worden dan de officieel voorgeschrevene, omdat ze beter aansluiten bij waar men in het dagelijks leven mee bezig is. Vaak komt de wens – en ook de praktijk – naar voren om de vaste instellingswoorden te vervangen door een meer begrijpelijke en bij het nieuwe geloofsinstinct aansluitende formulering. Ook hier blijkt telkens weer, dat de door het kerkelijk gezag vastgestelde woorden en handelingen als beklemmend worden ervaren en dat men in feite en min of meer tersluiks een eigen weg gaat. Het ganse beeld op deze punten wordt gekenmerkt door een vrij grote mate van noodgedwongen onechtheid, achterbaksheid, van ondergronds en zoveel mogelijk geheim verzet. Het lijkt wel, of de kerk op deze punten in een catacombensituatie verkeert en dat men bovengronds niet wil of kan weten wat ondergronds gebeurt.
Een soortgelijke tweeslachtigheid treedt ook naar voren, wanneer het de selectie en aanstelling van lekenvoorgangers en -voorgangsters bij de woord- en communiediensten betreft. Aan die mensen worden duidelijke eisen gesteld. Men wil soms zelfs gelijkwaardigheid met de van bovenaf benoemde priester en spreekt dan bijvoorbeeld van ‘pastoraatsgroep’ om te ontkomen aan de exclusiviteit van de priester in het geheel.
Een bijzondere rol in de bestaande conflictsituatie tussen het bisdom enerzijds en veel parochies anderzijds vormen de financiën. Ook daar zijn knelpunten gerezen. Meerdere parochianen zijn gestopt met hun financiële bijdrage aan de parochie, omdat een deel daarvan wordt afgedragen aan het bisdom. Daartoe is hier en daar een onafhankelijke stichting in het leven geroepen, geheel bestemd voor de eigen pastorale en diakonale doeleinden. De parochianen die geen afdracht aan het bisdom willen, kunnen daar hun financiële bijdrage aan de parochie kwijt. Zo’n stichting heeft dan een eigen bestuur, los van het kerkbestuur, en neemt de gekozen lekenvoorgangers en -voorgangsters in dienst. Structureel is daarmee een dubbelsporigheid gerealiseerd, weer om aan de exclusieve macht van hogerhand te ontkomen.
Van de andere kant zijn de kerkgebouwen meestal eigendom van het bisdom en heeft dus het kerkelijk gezag de macht om diensten binnen die kerken te verhinderen of daar althans een machtige vinger in de pap bij te hebben. Veel parochies ervaren ook deze situatie als beklemmend: men voelt zich met handen en voeten gebonden, men kán niet wat men zou willen, men heeft het gevoel, tegen onwrikbare muren aan te lopen die onmogelijk maken wat volgens die parochies mogelijk zou moeten zijn. De financiële feitelijkheid dwingt de gelovigen aan de basis om zich te houden aan de voorschriften. Men voelt zich niet vrij. En dus zoekt men sluipwegen om aan die als benauwend ervaren situatie te ontkomen. De kerk lijkt dan soms meer op een ingehouden verzetsorganisatie dan op een van bovenaf bezielde geloofsgemeenschap.
Toekomst
Gevraagd naar “wat zouden jullie wensen voor de toekomst?”, antwoorden parochies vaak: onze eigen gang gaan. Daarmee wordt niet gedoeld op een ongecontroleerde losbandigheid, maar op een in eigen oprechte verantwoordelijkheid en in even eigen oprechte geloofsovertuiging te kunnen doen, wat men ten diepste gelooft te moeten doen.
Dit houdt ten eerste in, dat de voorgangers en voorgangsters bij de eucharistievieringen principieel gekozen kunnen worden door de gemeente zelf, dat wil zeggen: van onderop.
addthis_pub = 'isidorus';
|